Sprekende ogen

Iedereen gaat dood, op enig moment. Voor een van mijn opa's lijkt dat moment nabij. Vorige week vrijdag, op de laatste avond van de wintersportvakantie, kregen we bericht dat hij was opgenomen in het ziekenhuis. Op stel en sprong zijn we in de auto gestapt en huiswaarts gekeerd. Daar hoorden we dat het die nacht kritiek was geweest. 's Avonds laat kwam er weer een telefoontje van het ziekenhuis, het ging niet goed met meneer. Ik schrok toen ik hem zo in dat bed zag liggen, niet helemaal bij bewustzijn. Maar hij was niet van plan op te geven, dat was duidelijk.

Opa is een vechter. Hij ging op jonge leeftijd van huis, het leger in, en het zou zo'n vijftien jaar duren voor hij terugkeerde. Indonesiƫ, Korea, Birma, India en Thailand, hij was overal geweest. De spoken uit die tijd zijn hem altijd blijven achtervolgen, maar hij sprak er nauwelijks over. Als hij al iets vertelde, dan waren het anekdotes, over hoe ze die sergeant voor de gek gehouden hadden of die majoor om de tuin geleid. Over zijn tijd in krijgsgevangenschap en zijn werk aan de Birma-spoorlijn liet hij niets los. Vechten was zijn overlevingsstrategie, zijn tweede natuur. Door te blijven vechten, door niet op te geven, kon hij uiteindelijk terugkeren naar huis.

Hij heeft er vele littekens aan overgehouden, aan zijn soldatenleven. Granaatinslagen, kogels, zijn lichaam is een landkaart van de ontberingen die hij heeft doorstaan. Minder zichtbaar, maar veel dieper, zijn de geestelijke littekens. Nachtmerries. Angstaanvallen. Hij wist niet hoe hij ze moest verwerken, kon er niet mee omgaan. Het gevecht hield voor hem niet op toen de oorlog voorbij was.

Nu zijn lichaam hem in de steek laat, klampt hij zich nog net zo aan het leven vast als hij toen deed. Die drang om te vechten en te overleven zit nog steeds in hem. Ik geloof niet dat hij weet wat dat is, opgeven. Ik weet niet of hij dit gevecht kan winnen. Hij houdt vol dat hij over een paar dagen wel weer naar huis zal mogen, maar de twijfel is zichtbaar. Hij oogt zo klein en kwetsbaar in dat ziekenhuisbed. Ik zie hem lijden.

Hij is niet de gemakkelijkste. Hij is ook zeker geen heilige. Hij kan bot zijn en star. Hij is het lang niet altijd eens met mijn keuzes en laat dat dan ook duidelijk merken. We hebben wel eens aanvaringen gehad, hij en ik. Maar nu hij daar ligt, alleen op een kamertje, doet dat er allemaal niet meer toe. Ik zie dat hij van me houdt. Hij kan de woorden niet uitspreken, maar zijn ogen zeggen alles. Mijn ogen spreken terug: "Ik hou ook van jou, opa."