Stilleven

Een bos bloemen op tafel, bijna helemaal verwelkt. Overal zit iets moois in, de kunst is alleen om op de juiste manier te kijken. Als dat lukt, wordt alles mooi.

Afscheid

Lieve opa,
Wat vond je ervan, gisteren? Was je trots en ontroerd of vond je het allemaal maar onzin? Al die mensen die jou nog een laatste groet wilden brengen. Het crematorium zat bijna helemaal vol, had je dat verwacht? En dat er zoveel bloemstukken zouden zijn? Wat waren ze mooi hè? We hebben alledrie een kaars voor je aangestoken tijdens de dienst, heb je dat gezien? En heb je gehoord wat mama over je vertelde? Dat ze altijd zo met je kon lachen. Dat je het plekje dat je in haar hart inneemt nooit meer kwijt zal raken? En het gedicht van Toon Hermans , dat Emily had uitgekozen? Toverde dat een glimlach op je gezicht? En wat vond je van mijn stukje? Ik had het even ingeleid natuurlijk, anders zouden mensen het niet begrijpen. En de erewacht van je oude strijdmakkers? Voelde je je vereerd of vond je het teveel gedoe? De toespraak van de kolonel maakte ook veel los bij mensen, nu pas hoorden ze hoe ontzettend veel ellende je hebt meegemaakt toen. Vond je de muziek mooi? We'll meet again van Vera Lynn en Old soldiers never die, kwamen er herinneringen boven? En het slotwoord van papa, met die mooie tekst:
Langs de oevers van de werkelijkheid en fantasie
stroomt de rivier van het leven
naar een oneindige zee
waar alles samenvalt en alles gelijk is
De koffietafel bij Mientje was gezellig, er waren veel mensen meegekomen. We hebben nog een borrel gedronken, ter ere van jou, dat vind je niet erg, toch? Ik was met de kolonel meegereden, die is ook al 82, voor het geval hij de weg niet wist. Ik moest wel lachen hoor. Hij kletste me de oren van het hoofd. Toen we op de snelweg zaten, trapte hij het gaspedaal flink in. Zegt ie heel droog: "Mijn vrouw heeft eigenlijk liever niet dat ik rijd, want met mijn rechteroog zie ik helemaal niets."
Het was een lange dag gisteren, opa, maar ook een heel fijne dag. Jij geloofde niet dat er iets is na de dood. Ik geloof wel dat er iets is na de dood. Ik hoop dat ik gelijk heb, niet jij, en dat je een beetje hebt meegekregen hoe we gisteren afscheid van je hebben genomen. Ik hoop dat je het mooi vond. Gisteravond had ik het gevoel dat je bij me was, dat je me wilde laten weten dat je het allemaal gezien had. Ik weet het niet. Misschien wilde ik alleen maar heel graag dat je er was.

Dag lieve opa








* 14-01-1920
† 11-03-2006

Sprekende ogen

Iedereen gaat dood, op enig moment. Voor een van mijn opa's lijkt dat moment nabij. Vorige week vrijdag, op de laatste avond van de wintersportvakantie, kregen we bericht dat hij was opgenomen in het ziekenhuis. Op stel en sprong zijn we in de auto gestapt en huiswaarts gekeerd. Daar hoorden we dat het die nacht kritiek was geweest. 's Avonds laat kwam er weer een telefoontje van het ziekenhuis, het ging niet goed met meneer. Ik schrok toen ik hem zo in dat bed zag liggen, niet helemaal bij bewustzijn. Maar hij was niet van plan op te geven, dat was duidelijk.

Opa is een vechter. Hij ging op jonge leeftijd van huis, het leger in, en het zou zo'n vijftien jaar duren voor hij terugkeerde. Indonesië, Korea, Birma, India en Thailand, hij was overal geweest. De spoken uit die tijd zijn hem altijd blijven achtervolgen, maar hij sprak er nauwelijks over. Als hij al iets vertelde, dan waren het anekdotes, over hoe ze die sergeant voor de gek gehouden hadden of die majoor om de tuin geleid. Over zijn tijd in krijgsgevangenschap en zijn werk aan de Birma-spoorlijn liet hij niets los. Vechten was zijn overlevingsstrategie, zijn tweede natuur. Door te blijven vechten, door niet op te geven, kon hij uiteindelijk terugkeren naar huis.

Hij heeft er vele littekens aan overgehouden, aan zijn soldatenleven. Granaatinslagen, kogels, zijn lichaam is een landkaart van de ontberingen die hij heeft doorstaan. Minder zichtbaar, maar veel dieper, zijn de geestelijke littekens. Nachtmerries. Angstaanvallen. Hij wist niet hoe hij ze moest verwerken, kon er niet mee omgaan. Het gevecht hield voor hem niet op toen de oorlog voorbij was.

Nu zijn lichaam hem in de steek laat, klampt hij zich nog net zo aan het leven vast als hij toen deed. Die drang om te vechten en te overleven zit nog steeds in hem. Ik geloof niet dat hij weet wat dat is, opgeven. Ik weet niet of hij dit gevecht kan winnen. Hij houdt vol dat hij over een paar dagen wel weer naar huis zal mogen, maar de twijfel is zichtbaar. Hij oogt zo klein en kwetsbaar in dat ziekenhuisbed. Ik zie hem lijden.

Hij is niet de gemakkelijkste. Hij is ook zeker geen heilige. Hij kan bot zijn en star. Hij is het lang niet altijd eens met mijn keuzes en laat dat dan ook duidelijk merken. We hebben wel eens aanvaringen gehad, hij en ik. Maar nu hij daar ligt, alleen op een kamertje, doet dat er allemaal niet meer toe. Ik zie dat hij van me houdt. Hij kan de woorden niet uitspreken, maar zijn ogen zeggen alles. Mijn ogen spreken terug: "Ik hou ook van jou, opa."